Răcituri
Vleesgelei
Koude vleesgelei van varkenspoten of haan, met veel look, voor de winterfeesten

Foto: Gmelfi, Public domain, via Wikimedia Commons
Răcituri is vleesgelei: varkenspoten, varkensvlees of een oude haan worden urenlang getrokken tot een bouillon die bij afkoeling vanzelf opstijft. Met veel look op smaak gebracht, staat het koud op de feesttafel van de winter. In Roemenië heet het meestal piftie; in Oekraïne en Rusland kent men hetzelfde principe als cholodets.
Herkomst en geschiedenis
De naam komt van het werkwoord a răci, afkoelen: het gerecht bestaat pas als het koud is. Andere namen zijn piftie en tremurici, naar het trillen van de gelei. Răcituri hoort bij de winter en bij de varkensslacht, wanneer er verse poten, oren en kop beschikbaar waren en de koude buitenlucht als koelkast diende. Het Moldavische investeringsagentschap rekent de vleesgelei tot de feestgerechten van het land. Vandaag maakt men haar ook met haan, kalkoen of gerookte varkensschenkel.
Hoe het gemaakt wordt
Het vlees, met zoveel mogelijk poten, gewrichten en zwoerd, gaat in koud water en trekt vier tot vijf uur op een zacht vuur, zonder deksel en met regelmatig afschuimen. Na een paar uur gaan er wortel, peterseliewortel en ui bij. De bouillon wordt gezeefd, het vlees van de botten gehaald en in diepe borden of schalen verdeeld. Dan volgt het belangrijkste: geplette look, ruim gedoseerd, door de lauwe bouillon. Die gaat over het vlees en moet minstens een nacht in de koelte opstijven. Een vette, oudere haan of varkenspoten geven genoeg natuurlijke gelatine; volgens een recept voor răcitură van haan moet men bij jong, mager gevogelte wel gelatine toevoegen.
Waar en hoe proeft u het
Răcituri is vooral huiskeuken. Rond Kerstmis en Nieuwjaar staat het op bijna elke feesttafel, koud uit de kelder of de koelkast, met brood of met warme mămăligă erbij. Wie het in een restaurant wil proeven, vraagt in de wintermaanden naar răcituri als koud voorgerecht; de rest van het jaar is het zelden te vinden.
Răcituri
Ingrediënten
Bereiding
- Spoel het vlees, zet het op met het koude water en breng langzaam aan de kook. Schep het schuim zorgvuldig weg.
- Laat 2 uur zachtjes trekken zonder deksel. Voeg dan wortels, peterseliewortel, ui, peper en laurier toe en laat nog 2 tot 3 uur trekken, tot het vlees van de botten valt.
- Zeef de bouillon door een fijne zeef of doek. Zout naar smaak; de bouillon mag stevig gezouten zijn.
- Haal het vlees van de botten en verdeel het over 4 diepe borden of schaaltjes, met eventueel wat schijfjes wortel.
- Plet de look met een snuf zout tot een pasta, roer door de lauwe bouillon en giet die over het vlees.
- Laat afkoelen en zet minstens 12 uur in de koelkast tot de gelei stevig is. Serveer koud met brood of warme mămăligă.